
Als kind heb ik dit liedje luidkeels gezongen, onder andere tijdens de avondvierdaagse.
Samen met "de zomerspelen" was dit ongeveer het event van het jaar. Weken van te voren maakten we spandoeken, bedachten we dingen waardoor we ons konden onderscheiden van anderen. Spandoeken, sjaals, shirts. Vier dagen lang, iedere dag 5 of 10 kilometer wandelen. In eerste instantie onder begeleiding van ouders of leerkrachten en de laatste jaren van de basisschool, alleen met klasgenoten. Ik weet nog dat het altijd haasten was, mijn moeder druk met eten bereiden, zodat wij op tijd aan de start konden verschijnen.
De eerste dag ging alles van een leien dakje, de tweede dag was je nog razend enthousiast vanwege de eerste dag. Nog meer proeven van de vrijheid! De wereld wacht en ligt aan je voeten. Soort van oppermachtig gevoel.
Op dag drie had je het wel een beetje gehad. Moe van het lopen, moe van het altijd in een groep zijn, moe van het moeten vechten voor je plaats. Stoer doen, grappig zijn. De laatste dag in zicht, dus je ging door, want je was er bijna....
Dag vier was heerlijk!
Je wist, dat bij de finish je ouders èn de drumband stonden te wachten. En dat je, eenmaal over de streep, je medaille mocht ophalen.
We zijn er bijna! We zijn er bijna, maar nog niet helemaal.
Er sprak voldoening uit. We hebben het gered, we hebben lol gehad, maar we hoeven nog niet naar huis. Nog even mogen we genieten van de vierdaagse vrijheid. En we wisten zeker, dat we ongeacht wat, konden terugkeren in de veilige armen van het gezin. Dus wat kon je gebeuren?
En nu, grofweg 30 jaar later, komen de woorden terug - we zijn er bijna, maar nog niet helemaal. En rijst de vraag - waar wil ik heen en wat wacht er als ik er eenmaal ben? Ben ik er dan of blijf ik lopen?
Zorgeloos wandelen heb ik recentelijk weer ontdekt. Samen met een vriendin probeer ik iets aan mijn conditie te doen. Dus we lopen iedere dinsdag een kilometer of 12. Onderweg delen we onze levens, lossen we gaandeweg levensvragen op. Na afloop een kop koffie en weer dat gevoel - voldoening. En meestal - een stuk lichter in mijn kop.
Dat laatste is nodig ook. Ik mag natuurlijk niet zeuren, want ik heb een heerlijk leven. Ik ben gezond, evenals mijn kinderen. We hebben een dak boven ons hoofd, lijden geen honger en kou. Ik heb een leuke baan, waarin ik heel veel voldoening ervaar. Als het een beetje meezit, ga ik nog voor het einde van het jaar studeren. Note - boven verwachting ga ik toestemming krijgen om in te schrijven op een dure en langdurige cursus medisch secretaresse. Echt super vind ik dat, want ik, zonder medische achtergrond en ervaring, heb mezelf een stevige plaats binnen het bedrijf verworven. Daar ben ik best trots op.
Ik mag niet klagen dus.
In de liefde zit het ook wel goed. Liefde en ik ontdekten elkaar jaren geleden, maar het was nog niet de tijd, dus met gemak zetten we elkaar in de wachtstand en leefden ons leven. En toen was het er plotseling; overweldigend en helder. In eerste instantie leefden we van dag tot dag en spraken we: "we overleven de herfst wel" of "wij zijn nog niet klaar met elkaar." Prachtige gedachtengangen, waar ik als ik er aan terug denk, nog warme gevoelens van krijg.
We wisten niet waar we aan begonnen, lieten ons volledig leiden door onze gevoelens. En die waren van begin af heftig en onvoorspelbaar. Er was ruimte voor persoonlijke groei, gezamelijke wensen en maffigheden. Bij menig persoonlijk conflict hebben we geprobeerd elkaar de weg te wijzen. We begrepen elkaar, zonder woorden vaak.
Maar er waren ook valkuilen. Gaandeweg bleek dat onze kracht ook onze zwakte was. Ongelofelijk veel power, die als een donderslag bij heldere hemel, kon omslaan in zwakte en onbegrip.
Het heeft er nogal eens wat keren om gespand, om het zo maar eens te noemen. Het mekaar niet begrijpen, niet kunnen bereiken, dat gaat niet in je kouwe kleren zitten. Ik denk dat ik eerlijk ben; we hebben ons los van elkaar en in onze relatie best wel eens verloren gevoeld. Als je midden in het langdurig groeiproces zit - want spiegelend blijven we voor elkaar - dan lijkt het soms onmogelijk om los van de ander op je benen te blijven staan. Je, of ik - laat ik over mezelf spreken - ben geneigd om mezelf te vergeten en alle energie weg te geven. En dat is knap stom. Kan het iedereen afraden eigenlijk.
Waarom doe je het dan toch, vraag je je af. Dat vroeg ik me dus ook af.
Omdat je op een bepaalde manier denkt, dat als je nog iets meer geeft.....je er wel zult komen. Dat is dus niet waar.
Een paar weken geleden liepen de gemoederen hoog op. Liefde zat in zak in as vanwege zijn jarenlange strijd met een onwillige en supervervelende, zieke ex. Iets wat helaas toch een weerslag heeft op onze relatie.
Maar geen nood - ik had een paar dagen vrij genomen en dan zou alles wel weer in rustiger vaarwater komen. Leuke dingen doen, elkaar zoeken en vinden....
Niet dus. Of althans; lang niet altijd. En dat is knap lastig. En heel verdrietig en pijnlijk. Zeker als je er tegenaan blijft schoppen, zoals ik dat heel goed kan. Doorgaan, voelen dat je spieren verkrampen, maar alle signalen negeren, gewoon doorgaan. En bereiken wat je helemaal niet wilt - absoluut geen ruimte in geest en gevoel . Tot je erbij neer valt.
En dus moesten we even los van elkaar. Niet uit elkaar, maar wel even allebei op ons zelf. En dus ging ik wandelen aan het strand. Een middagje en dan weer terug naar het warme nest. Die zekerheid maakte dat ik de ruimte durfde te nemen. Eindelijk.
Ik nam de strandopgang die we vaker samen namen en begon te lopen. De wind door mijn haren, de kou op mijn wangen en mijn hoofd steeds leger. Ik had geen route, immer gerade hinaus, liep zoals het uitkwam. Af en toe zag ik in de verte iets kleurigs liggen en als een ware strandjutter liep ik er heen, in afwachting van mijn schat. Het maakte niet uit wat ik vond. Ik vond ook niets, behalve een omgekeerde emmer die ik gebruikte om op te zitten en even bij te komen. Wat lekker; het strand, de rust, niets dan ik en de natuurlijke elementen.
Ik liep verder en leefde en voelde dat ik adem haalde en meer was er niet nodig. Ik liep in de zon en had het best naar mijn zin, dus het volgende dorp - ik denk IJmuiden - leek helemaal niet zo ver. En wat moest ik anders doen? Het was nog geen tijd om terug te gaan. Natuurlijk zag ik wel de donkere wolken hangen, maar ik negeerde ze net zoals ik mijn verkrampte spieren en mijn overvolle hoofd negeerde, toen ik de deur achter me dichttrok. Gewoon doorlopen....we zijn er bijna.
Tot het begon te regenen dat het een lieve lust was. En hagelen. En omweren.
Toen moest ik heel hard lachen met/om mezelf. Hoe tekenend kan de natuur zijn? En waarom was ik niet eerder omgekeerd, toen het nog kon en er tijd en ruimte was om droog en veilig de auto te bereiken?
Typisch ik, maar dat zal duidelijk zijn.
Natuurlijk bereikte ik wel weer de auto, maar niet nadat mijn kleren en haren doorweekt waren en ze door de wind later weer gedroogd werden.
Op een bepaalde manier was ik mezelf, op eigen kracht, door eigen toedoen, nog een keer tegengekomen. Al had ik er op dat moment niet al te veel gedachten bij - het ei was gelegd.
De dingen die ons overkomen; daar kun je hoog en laag bij springen. Je verzetten tot je gebroken bent. Maar beter is het (mijn gedachte) om als riet bij een flinke windkracht, met de wind mee te gaan. Of de luwte op te zoeken, als het nodig is.
Dat doe ik de laatste weken regelmatig. Ik probeer bewust om te gaan met mezelf en mijn grenzen. Rekening te houden met wat ik wil. Ruimte en tijd nemen. Voelen hoe het is om in de wind te staan en bewust de luwte op te zoeken. Af en toe vind ik het nog behoorlijk eng. Al weet ik inmiddels, dat heel veel dingen pure emotie zijn en dat je dat mag laten komen, uiten en zien/voelen hoe ze vervolgens met dezelfde snelheid weer vertrekken. En ik heb ervaren; daar waar je ruimte neemt, ontstaat ruimte. Om weer in kracht en met overweldigende gevoelens tot elkaar te komen; gewoon omdat er plaats voor is. En dat besef maakt me zielsgelukkig.
Op het strand heb ik geen grote schatten gevonden, zelfs niet als ik ze in de verte vermoedde. Misschien alleen dit; wie voorbij gaat aan het heden en reikhalzend uitkijkt naar het moment - we zijn er bijna - vindt wellicht slechts één werkelijkheid; dit is het en daar zullen we het mee moeten doen.
Vanuit die gedachte rust en licht vinden, is voor mij voor mij de grootste schat gebleken.